Schilderen met woorden – museum Meermanno [1]

Een mandje vol

door Lisette Dröge

‘Emma! Wat heb je gedaan?’

De stem van madame Courier schalde door het hoge graviershuis. De nagel van haar rechterwijsvinger tikte dwingend op de notenhouten secretaire. Haar groene ogen priemden in die van Emma. Arme Emma. Ze kromp ineen. De drie rode kersen, die ze apart had gehouden om aan madame te geven, trilden in haar kleine handje.

Haar onderlip trilde. Niet huilen, niet huilen, dacht Emma. Dan wordt madame nog bozer. Emma wist zeker, dat ze niets verkeerd had gedaan. Niets, helemaal niets. Ze had juist iets goeds gedaan.

‘Emma, kind, hoor je me niet, deugniet?’

De tikkende vinger van madame werd nu vergezeld door het driftig tikken van de punt van haar schoen op het parket. Emma hield haar pop stevig vast. Dit was haar mama. Mama die er niet meer was. Pop mama droeg dezelfde kleren die mama vroeger droeg, maar dan kleiner. De kleermaakster had die voor Emma’s pop gemaakt, toen mama overleden was.

Madame kwam nu met grote passen op Emma af. ‘Kind toch, jij deugniet, je weet toch, dat je niet zomaar de tuin in mag!’

Madame greep haar hardhandig bij haar arm. Het mandje met kersen viel op de grond. Het rieten deksel klapte open en de kersen rolden over de grond.

‘Niet doen! Au, u doet mij pijn!’ riep Emma. Ze rukte zich los en wilde wegrennen. Tranen rolden over haar wangen. ‘Niet doen!’ riep ze nogmaals. ‘Die kersen waren voor mama op haar graf. En deze drie waren voor u, speciaal voor u!’ Emma hield de drie kersen in haar hand omhoog.

Madame verstijfde.

‘Voor het graf…’ zei ze.

Emma knikte. Ze drukte pop mama stevig tegen zich aan. Toen bukte ze en raapte het mandje, waar nog een paar kersen in zaten, van de grond op. De drie kersen in haar hand hingen slap tussen haar vingers en maakten vlekken op haar witte schort.

‘Hier,’ zei ze en reikte de kersen aan madame. ‘Voor u. Ze zijn heel lekker.’

Madame knikte.

‘Ik…eh…dank je,’ stamelde ze en nam de kersen aan. Ze legde ze in het ivoren schaaltje op de notenhouten tafel. Emma kroop over de grond en deed alle kersen terug in het mandje. Bijna geluidloos telde ze het aantal, telkens tot tien. Verder kon ze nog niet tellen. Dit hielp, om minder verdrietig te zijn. De rode kleur van de kersen was ook zo mooi!

Madame knielde naast haar op de grond, haar rok sleepte over het parket. ‘Hier, deze kersen moeten ook nog in het mandje,’ zei ze.

Emma wreef met haar vinger over de parketvloer. Er zaten vlekken op van de kersen. Met een schuin oog keek ze naar madame. Die zei niets, gelukkig. Ze zei alleen, ‘zullen wij zodadelijk samen naar het graf gaan?’

Emma’s ogen lichtten op. Ze tuitte haar roze lippen, knikte en zei, ‘Samen met pop.’


Dit verhaal is geschreven door Lisette Dröge tijdens de Querido Academie workshop Schilderen met woorden op 23 maart 2019 in Museum Meermanno, geïnspireerd op het afgebeelde portret.

Schilderen met woorden – museum Meermanno [2]

Façade

door Manon Goossens

Daar ligt ze dan. IJskoud. En keihard. Zo kon ze soms ook zijn toen haar hart nog klopte.

Ze ligt er mooi bij. Zo zeggen ze dat. Ik sta naast mijn overleden moeder en denk terug aan de mannen van de uitvaartverzorging die haar drie dagen geleden ogenschijnlijk liefdevol in haar mooiste kleding hesen voordat ze haar verhuisden van haar ziekbed naar de diepvriesplank. Zou de tederheid waarmee ze iemand mooi maken aan het einde van zijn of haar leven afhankelijk zijn van het aantal toeschouwers van het afleg-tafereel? Ik denk het eigenlijk wel.

Haar handen werden in een vredige positie op haar buik gevouwen, haar haar werd gewassen met shampoo waar geen water aan te pas hoefde te komen en haar levenloze gezicht kreeg een kleurtje. De mannen deden hun werk in stilte. Ik kon zien dat ze goed op elkaar ingespeeld waren. Een geoliede machine. De dood is natuurlijk ook gewoon handel. Haar mond werd dichtgeplakt zodat we niet langer in het gapende gat hoefden te kijken dat de afgelopen weken zo snakte naar een leven zonder pijn, en ook haar ogen werden gesloten. Voor altijd. De pijn leek verdwenen te zijn uit haar gezicht.

Ze ligt opgebaard in de huiskamer van mijn ouderlijk huis. Ik ben bij haar, alleen. En zo voel ik me ook. Op de achtergrond hoor ik stemmen. Aan de keukentafel wordt koffie gedronken en er worden herinneringen opgehaald, maar hier is het stil. Ik kijk om me heen. Ontelbaar veel bloemen en kaartjes met lieve bemoedigende woorden erop, toch voel ik louter leegte.

Een half jaar nadat ik afscheid nam van mijn vader, liet ook mijn moeder het leven los. Ze kon niet anders. Ze werd ziek. Net als hij. Kanker. Net als hij. Zo jong nog. Allebei. Bizar. De kanker sloopte eerst zijn lichaam, daarna dat van haar. De ziekte deed haar ontiegelijk veel pijn, maar niet half zoveel als het besef dat ze het leven en de vrijheid, waar ze nog maar zo kort van genoot, achter zich moest laten. De dood verloste haar uiteindelijk uit haar lijden. Door het woord ‘uiteindelijk’ lijkt het alsof zij ten prooi viel aan een lang ziekbed maar niets is minder waar. Amper vier weken nadat haar diagnose gesteld werd, blies ze haar laatste adem uit. In vijf weken tijd van gezond naar grieperig en via ongeneeslijk ziek naar de hemel. Als die bestaat. Ze werd 51 jaar oud.

Ik neem plaats op één van de stoelen naast de baar, leun voorover en vouw mijn handen om die van haar. Ik voel de kou, de hardheid. De steeds dikker wordende laag beton die ze tijdens haar getrouwde leven om haar heen optrok om het leven met mijn vader zo draaglijk mogelijk te maken, is nu maximaal. Hij kan haar niet meer raken, nooit meer. Ik kijk naar haar gesloten ogen en hoor mezelf de vragen die al jaren door mijn hoofd spoken hardop uitspreken. ’Waarom, mama? Waarom hij? Werd je verblind door het weelderige leven dat hij leidde? Zag je niet dat je voor een keurslijf koos? En wat voor één? Waarom verruilde je je vrijheid en je eigen ik in voor een dienende rol waarin je zelf nooit tot volle bloei zou komen? Zoveel dominantie mama, je bleek er niet tegen opgewassen. Had je spijt?’ Op het tafeltje naast de baar leunt een goudkleurig lijstje lichtjes achterover. Vanachter het glazen plaatje kijkt ze me aan. Ze straalt en lijkt gelukkiger dan ooit in haar witte satijnen trouwjurk met haar hoog getoupeerde haar. Vijfentwintig jaar was ze en gezegend met een prachtig mooi lichaam, slank maar niet te. Rondingen, daar waar ze horen. Haar meisjesachtige ontwapenende glimlach betoverde menigeen. Ze leek een jaloersmakend mooi en luxueus leven tegemoet te gaan.


‘Ik koos voor bovenstaand schilderij. Of eigenlijk koos het mij.’

Dit verhaal is geschreven door Manon Goossens tijdens de Querido Academie workshop Schilderen met woorden op 23 maart 2019 in Museum Meermanno, geïnspireerd op het afgebeelde portret.

Schilderen met woorden – museum Meermanno [3]

Manu

door Maricée ten Bosch

‘Miss… miss’, lispelt Manu in haar oor. Ze voelt de spettertjes spuug op haar wang. Wat is het warm!

Het liefst gooit ze haar rokken van zich af, haar hoed in het water en zichzelf erachteraan.

Een vette vis voor de visser.

En de man in het bootje? Springt hij haar na?

Manu, snel als een luipaard, is hem vast voor.

Maar voorlopig rust Manu’s hand op haar schouderbladen.

De warmte ervan dringt door alle lagen kleding heen.

Ze gniffelt in zichzelf, hij durft wél.

Manu, haar trouwe bediende van de afgelopen weken.

Als een hondje liep hij achter haar aan, waar ze maar ging.

Nooit opdringerig, immer bescheiden, innemend.

Ze kon hem alles vragen, waar je specerijen, vruchten, sieraden kocht, de weg naar de markt of kamelen voor een tocht, Manu wist het en zorgde dat het voor elkaar kwam.

En nu staat ze hier met hem op de kade, terwijl Johannes de laatste affaires regelt voor de lading Oosterse waar. Morgen varen ze terug met de vracht, op de Witte Lelie.

Ze voelt de hand van Manu langzaam over haar rug glijden.

‘What you thinking, miss, you want’?

Flarden van geiten… kaneel… koffie. Ze snuift diep.

Dit wil ze zich herinneren, dit lome moment op de kade, met Manu die haar naar zich toetrekt, in de verzengende middaghitte.

Heel even slaat ze haar eigen arm om hem heen en zijn ze voor enkele ogenblikken een paar.

‘I want what, Manu’?’


Dit verhaal is geschreven door Maricée ten Bosch tijdens de Querido Academie workshop Schilderen met woorden op 23 maart 2019 in Museum Meermanno, geïnspireerd op de afbeelding hierboven.

Schilderen met woorden – museum Meermanno [4]

Mathilde

door Anja Smit

Mathilde houdt haar adem in terwijl haar moeder zich naar haar vooroverbuigt en met een ruk aan haar korset trekt. Haar borsten bollen op onder het strakke keurslijfje en Mathilde voelt een misselijk gevoel in zich opkomen. Moeder van Beuningen kirt opgewonden: haar enige dochter wordt vandaag ter ere van haar 18 de verjaardag door de schilder Albertus van Beest uit Rotterdam geportretteerd. Hiervoor is ruimte gemaakt in de theekamer welke uitzicht biedt op de rozentuin, wat de uitdrukkelijke wens van de schilder is.

De fluwelen koningsblauwe baljurk met afgezette kant ligt gespreid over de canapé. Ze ziet de hand van haar moeder liefkozend over het fluweel glijden terwijl ze het kant van de mouwen nog eens netjes uitvouwt. Mathilde probeert haar afkeer te onderdrukken: ze plant haar voeten stevig op de grond en ademt diep in en uit om haar zenuwen de baas te blijven. Ze staart in de barokke spiegel en ziet haar intens bleke gelaat, haar voluptueuze borsten die op en neer bewegen . Ze haat haar borsten die als twee bollen vet op haar lichaam geplakt lijken te zijn.

Haar vrouwelijkheid zal in de japon extra benadrukt worden en dat is alles wat ze niet wil. Ze is ook nog eens fors geschapen alsof onze lieveheer het op haar gemunt heeft. In door de weekse kledij kan ze haar boezem nog wegmoffelen in de wijde blouses maar aan deze baljurk valt niet te ontkomen.

Waarom ben ik in godsnaam als vrouw geboren? Slechts haar jeugdvriend Diederik kent haar geheim en accepteert haar zoals ze is. Ze hebben er onderling weinig woorden over gewisseld maar Mathilde weet dat hij haar als soortgenoot ziet. Hij noemt haar altijd Mat en dat is de naam die ze wil dragen en bij haar past.

Mathilde wordt als enig kind van de graaf en gravin van Beuningen op handen gedragen maar haar ouders hechten echter veel waarde aan de algemeen geldende burgerlijke moraal en de streng katholieke opvoeding maakt hier deel van uit. Afwijkend gedrag of geaardheid wordt niet getolereerd en dient bestraft en uitgebannen te worden. Ze voelt het zweet op haar gezicht parelen; haar grote angst is opgenomen te worden in Klingendael, een inrichting in het district waar mensen die anders zijn, worden opgesloten.

‘Het is tijd mijn kind’ hoort ze vanuit de verte de stem van haar moeder, die op haar afkomt lopen met een collier dat toebehoorde aan Mathildes’ oma en drapeert het rondom haar hals. Ze voelt de zware blauwe saffieren als koude kikkers op haar borsten rusten. Hand in hand lopen de twee vrouwen door de lange hoge gangen van het landgoed terwijl de zijde zacht ruist door de stille gangen en hun voetstappen echoën op de oude plavuizen. Ze passeren de huiskapel en Mathilde stuurt in gedachte een schietgebed naar Maria ter ondersteuning in de komende uren.
Ze ziet de ogen van Van Beest oplichten als ze als een echte ‘dame du ton’ de tuinkamer betreedt. Hij blikt goedkeurend en neemt haar beeltenis in zich op terwijl zijn ogen blijven rusten op haar borsten. Woede vlamt in haar op; ze voelt zich een koe die op de veemarkt wordt gekeurd wordt, haar wangen kleuren rood en inwendig stampvoet ze. Hun blikken kruisen elkaar een luttel moment. Van Beest deinst lichtelijk terug als hij, haar ijskoude blauwe ogen ontmoet. Niettemin steekt Mathilde haar gehandschoende hand uit om hem daarop een kus te laten drukken.

De schilder heeft zijn palet al gereed en verzoekt Mathilde vriendelijk aan de raamkant in de chaise longue plaats te nemen. Het gouden ochtendlicht valt speels op haar gespannen gelaat. Eenmaal gewend aan zijn geconcentreerde blik raakt ze ontspannen en dwalen haar gedachten af naar de voorbije jaren.

Ieder hoekje van het landgoed Beuningen kent ze: van het lavendelbos tot de waterval, van het sparrenbos tot het Gravendal. In het Gravendal liggen haar voorouders begraven over wie ze met Diederik vele verhalen gefantaseerd heeft en waarop ze tikkertje speelden of picknickten.

De vele dieren die het langgoed herbergen: konijnen, eekhoorns, hazen, herten, torren en kevertjes. Ze had een speciale band met de paarden op wie ze soms in de nacht stiekem uitrijden ging met Diederik. Plotseling wordt haar kin opgetild en kijkt ze in de ogen van de schilder.‘Graag iets meer ‘en profile’ verzoekt hij beleefd en ze doet wat hij vraagt. Ze ziet de eeuwenoude eik in wiens bast haar naam en die van Diederik zijn gekerfd. Wat een groot geluk dat ze Diederik als vriend heeft. Waar was ze zonder hem geweest?

Hoelang moet ze deze farce nog volhouden? Vragen die al jaren door haar hoofd spelen en haar slapeloze nachten bezorgen. In de bescherming en warmte van haar bed heeft ze haar seksualiteit ontdekt en droomt ze over intimiteit met een geliefde. Diederik had haar een keer vastgepakt en tegen zich aangedrukt en even voelde ze zijn kloppend lid tegen haar buik. Ze was geschrokken, maar had hem duidelijk doch beslist op zijn plaats gewezen zonder dat het gevolgen voor hun vriendschap had gehad. Een jaloers gevoel had ze eraan overgehouden, zich realiserend dat zij genoegen zou moeten nemen met haar bescheiden vulva.

Als kind hoefde ze zich niet zo druk te maken of ze nou een jongen of een meisje was maar nu er een publieke rol voor haar weggelegd was door haar ouders, had ze zich maar aan te passen. Ze had wel eens geschriften gelezen van andere mannen en vrouwen die zich verzetten tegen de openbare orde en van zich lieten horen. Zo wist ze dat ene Aletta Jacobs zich inzette voor het vrouwenkiesrecht en sommigen zelfs van hun geloof afvielen. Ze had haar moeder eens gevraagd of zij tevreden was met haar leven en zich gelukkig voelde. Haar moeder had haar alleen maar vragend aangekeken en er verder het zwijgen toegedaan. Het leek wel of Mathilde in de verkeerde tijd ,op de verkeerde plek en in het verkeerde lichaam geboren was.

Binnenkort werd ze 18 jaar en zou ze zo snel mogelijk uitgehuwelijkt zou worden aan een goede partij. Ze gruwde bij de gedachte ooit het bed met een man te moeten delen en zijn binnenkomst te moeten ondergaan. Ooit was ze verliefd geworden op Gesina, de dochter van de paardenknecht, die voor haar in de kerk had gezeten. Gebiologeerd had ze haar bekeken, van haar lichtbruine huid, haar donkere uitdagende ogen, haar volle lippen tot haar stevige ronde billen. Tijdens het oprapen van het missaal raakte hun handen bij toeval elkaar en joeg er een golf van opwinding door haar heen. Het had haar geïnspireerd tot het maken van tientallen gedichten en houtskooltekeningen die ze op een speciale plek onder haar bed bewaarde. Haar creatieve geest leidde voor de buitenwereld een slapend bestaan.

Een vrouw diende zich dienstbaar op te stellen tegenover haar man. De man zorgde voor de buitenwereld, de vrouw voor de binnenwereld. Ze zou zich in haar lot moeten schikken, zich bekwamen in het goudborduren en deugdelijk converseren. ‘Het denken moesten we maar aan pappa overlaten’, zei mamma.

Zij voelde zich gevangen in haar lichaam maar ook in de tijdsgeest en het landgoed waarop ze was geboren. Ze moest en zou zich uit haar harnas bevrijden.

Lees meer

Schilderen met woorden – museum Meermanno [5]

Word wie ge zijt door Monique Smit In het schemeruur staat Willem in zijn slaapvertrek voor de grote vergulde pas-spiegel met het roodfluwelen gordijn om zich heen geslagen. Ter hoogte van zijn borst laat hij de stof lichtjes bollen. Het lijkt erop alsof daaronder kleine borsten verborgen zitten. Die gedachte geeft hem een aangename sensatie. […]